12 - De Culten van Noorweghen en Sweden , Ompvan Schaghen nae Kol tezeylen. ee An het rik van Schaghen tot het Eylandt Lelou is de cours zupdzupdoolt/ UZ fr: bir Puk ende Trincelleggen verlſchepden recht zupdoolten , noordwelt ſlesmplen. Hè K : ! . Het Eplandt Leſou is rondomme met veel vuple dwaelgronden / reven enupt- ſchiet ende ſandenomcinghelt. Van ‘t zupdooltepnde daer De Herck op taet reckt loo grooten rifk ofte vlackte van de wal af/dat het op twee mplen van landt daer be- zupdenniet dieperen1s als twee vadem/daer machmen reede onder maken vooxzeen zupdzupdoolte windt. Van de zupdwelthzoeck del»geljcx ltreckt ſoo grooten vlackte af! dat als de voorſz platte kerck oolt en ooltnoo:Doost van u is / men jet landt op twee mplen naenier en mach ghenaken. Maer het noordennde machmen (oo nat . Comen/datmendaer onder reede mach maken voozzupdelycke en zupdoolte winden‘ op drie/vier/vik-Ces en ſeven vadem/de kercke ontrent zunden vanu. +.8 Van hetnoordooltepnde ltreckt oock een rrif af/recht na de Trindel toe/dat mach men omlooden allinen tuſſchen Le»lou eu de Trindel deur leplt, dat 1s hoe naeder Leſou hoe drooger / en hoe nacder de Trindel hoe dieper, Dicht bn De Trindel aen de binnekant ofte weltzpde ilt diep vyf enſes vadem. ; ; ; De Triundel is een lkeenachtighe zandplaet / driekantigh en langhwerpigh van faiſoen/is niet meer als vier voeten diep/en oittrent twee Morgen landts grooc/lepot gheltreckt meelt langhs het vaerwater/ van t noozdooltepnde van Leſlou verlchey- Den noozDoolt ofte een weprigh ooftelijcker ontrent twee groote mplen/aen Denoo: | ee ban De Trindel lepDt altijdt cen groote Ton / Daer aen men Die van bert mach kennen. . Alsde horck van Schaghennosrdwelt ten welten ontrent een mÿl van u ig/daer ilk diep leventhien en achthien vadem/maer als de hoeck welt en welt ten zupden van ulepdc ontrent een müÿl/daerilt diep vier of vijkendertigh vadem. Maer die om Schaghen comr zeplen/ en bupten het rik om loopt op thien/ elf ofte twaelf vadem/ en van daerzupdooſît ofte zupdzupdoolt aen gaet / befout een langle wyple al de diepte van vÿkchien en »ſeſthien badem/wel twee mplen weegs,eer hp twin tigh oft vijfentwintigh vadem crijght. Wimen Dan weder blacker water begint crijgen van thien/acht/ (eben/en fes adem Dat »ſeplt dan binnen de Trindel deur. Al»men die voor»z Diepte van De blackte ontmoet / en noch boot zupdzupdoolt adl . leplc / Coo inoetmen wel op zun loot pallen/en dac veel ghebzupcken / om die voo!l blackte zie vant noozDooltepnDde van Leſounae de Trindel toe ltreckt/ men mac|) Die als ghe»ſepdt is op vijfk/ vier/en oock wel (allt nauwrc) op drie vadem overloopen- Als de noordoolthoeck van Lelon begint zupdzupdwelt van u te comen/ loo com? men.tegen het rik akte de vlackte aen mager als die hoeck zupdwelt vanu is/daniſmen ober het Dzooghie ban tri. Als hee weltepnde van Le»ou zupdwekt en de kerck zupdwelt tenzunden van u 18.»ſooilmon antrent teneffens de ton vande Trindel. Dziemplenzupden ten weltenvan Schagen leggen de clepne Belmen/niet Verd bande wal/Dat zijn: D2ie Eplandekens: het zupdelijck(te noemen De Zutten De DN oft De Dee ber mddelte Polmg/en bet noordelijck{te De Galo daer bn lept ner eenclemm Eplandeken. Men mach tnîchen hee zupdelÿcklte en het middellte deur zevlenmaer het zupdelyekſte moetmen dan naelt loopen/ daer tulichen bepden deut I is biervadem wäatre. . O t 491.51 z q v vi Onuder de Helmen1s goede reede. og; zupdoolte / zupdzuydoolte en zupdelÿcke winden Die daer onder te reede wil loopen/comende van Schaghemwdie fal de rant aenloopen apdrie vadem! en loopen loo daer bp langs tuſCchen de liranc ende de hel- " menin/ tot dat hp binnen deklippen is / daer machmen 't ſetten/ okte ock weldeur- loopen by de voetltrandt langhs op drie vadem. Als de klippen van de Helms 09 .enoulttennoorden vanuzÿn/ Daeris de reede op vier en vifcehzalk vadem. De belle. Reede omachterde Helms.te legghen voor clepne ſchepen/ is tulſchen her middel en zupdelijcklte Eplandeken/het valte lant wat nader als de Eplanden/ marr voor f | Groote »chepen ilk beit te lgghen bp de Gzaſholm. . , t ~ Die